Februari 2015

Maart 2015

Bijgewerkte winterverwachting 2014/2015 Normaal tot iets te zacht.
Ondanks dat er op voorhand sterke aanwijzigen waren dat januari een koude maand zou worden blijkt uit de laatste maandverwachting dat dit niet waarschijnlijk is. Volgens het ECMWF gaan lagedrukgebieden zeker t/m 25 januari de dienst uitmaken, dan weer met westelijke en dan weer met iets zachtere zuidwestenwinden. De  2 klimaat- en seizoensverwachting modellen (het IRI en het CFS) hebben de volgende verwachting: CFS januari en februari normaal,  IRI model: januari en februari normaal tot iets te zacht 0 tot +1c. Toch lijkt zich in de 3de week van januari een polar vortex split af te tekenen in de stratosfeer deze maakt de kans op een koudere februari een stuk groter.
 
December 2014 (iets te zacht 0,5 tot +1c)
Vanaf half december worden de nachten kouder is ook winterse neerslag mogelijk maar een vorstperiode verwacht ik in deze maand niet. Deze maandverwachting is redelijk uitgekomen.
 
Januari. (te zacht 1 tot +2,5c)
Lagedrukgebieden in een westelijke hoogtestroming maken t/m 25 januari de dienst uit. De temperaturen liggen hierdoor constant boven normaal (4c) en komen uit tussen de 5 en 9c. Met name in de 2de week van januari liggen de temperaturen dicht in de buurt van het langjarig gemiddelde omdat de straalstroom wat zuidelijker komt te liggen met als gevolg een vrij koude bovenlucht met soms wat winterse neerslag. Vanaf 15 januari lijkt zich een splitsing in de poolwervel af te tekenen (zie grafiek)
 
 
 
 
 
Permalink voor ingesloten afbeelding
 
De kans op een verandering in een meer geblokkeerd stromingspatroon nemen dan op termijn (februari) toe. Ik moet toegeven dat deze splitsing van de vortex steeds weer wat verder in de termijn wordt berekend.
 
Februari (normaal tot iets te koud 0 tot -1c)
Met nog steeds een sterk negatieve AO en in mindere mate NAO index in de verwachting is de kans op kou
in februari naar mijn mening nog steeds groot. De verwachte SSW boven Groenland zal de luchtdruk hier flink doen stijgen. Met als gevolg opnieuw een flinke kouduitval in Scandinavië. (daar afgelopen week ook afgelopen week erg koud met minima tot -35c) Ook het Russische hogedrukgebied zal zijn invloed meer naar het westen toe uitbreiden.
De wind wordt noordoost tot oost en de kans op een vorstperiode van langer dan een week is vrij groot. Het is niet zo dat de hele maand februari koud weer oplevert want de timing van de blokkade is moeilijk in te schatten mogelijk dat deze eerder (eind januari) of juist wat later in de maand (vanaf 2de week februari) optreed. Voor en na deze periode hebben we onvervalst Hollands winterweer (wat bij een zeeklimaat) hoort, met regelmatig regen en temperaturen tussen 4 en 8c
 
 
Zie ook de site Climate Forecast System CFS http://www.cpc.ncep.noaa.gov/products/CFSv2/CFSv2seasonal.shtml

En het IRI (International Reseach Institute) http://iri.columbia.edu/our-expertise/climate/forecasts/seasonal-climate-forecasts/

Indien er plotselinge veranderingen optreden in de AO-NAO index verwachtingen zal ik de winterverwachting aanpassen.

Ron Engelen 29 december 2014

Uitleg over het fenomeen SSW (Sudden Stratospheric Warming)

Het weer speelt zich voor het grootste deel af in de troposfeer, zijnde de luchtlaag die zich uitstrekt vanaf het aardoppervlak tot 10-12 kilometer hoogte. De luchtlaag boven de troposfeer, de stratosfeer, is van minder belang maar het is niet zo dat ontwikkelingen op stratosferisch niveau (10-50 kilometer hoogte), waar zich ook de kwetsbare ozonlaag bevindt, onbelangrijk zijn. Integendeel zelfs!
In de stratosfeer kan het onvoorstelbaar koud zijn. Tijdens Kerst 2012 werden door het KNMI op ruim 20 kilometer hoogte temperaturen beneden -80º geregistreerd. Soms echter voltrekt zich een bijzonder sterke opwarming waarbij de temperatuur in enkele dagen met wel 50 graden (!) kan stijgen. Zulks wordt in meteorologische kringen een ‘Sudden Stratospheric Warming’ (SSW) genoemd. Dit fenomeen is doorgaans het gevolg van weersystemen in de troposfeer (niet zelden grootschalige hogedrukgebieden) die de ‘Polar Night Jet, een van west naar oost waaiende straalstroom die de Noordpool omcirkelt, verstoren. De Polar Jet begint dan sterk te golven en net als op het strand worden deze gebroken met als gevolg een sterke verzwakking of zelfs een omslag van de heersende ‘westerlies’ naar ‘easterlies’ in de atmosferische bovenkamer. 

Ondertussen implodeert als het ware de aanwezige lucht in de stratosfeer boven de poolkap en door compressie voltrekt zich een sterke opwarming (SSW). Uiteindelijk kunnen de ‘easterlies’ op grote hoogte ook het weer in de troposfeer beïnvloeden met als gevolg een verzwakking van ‘onze straalstroom’. Dat resulteert dikwijls in een geblokkeerd stromingspatroon waardoor oostenwinden koude continentale vrieslucht naar het westen kunnen transporteren.
Het is uiteraard geen wet van meden en perzen dat een SSW automatisch winterweer tot gevolg heeft maar een vorstperiode komt gemiddeld wel vaker voor bij zo’n gebeurtenis. 

Factoren (indicatoren) die invloed hebben op de Winterverwachting.
Het weersysteem op aarde wordt door allerlei (niet constante) factoren beïnvloed. Elk van die factoren speelt zijn eigen rol. Als je nu die factoren eruit pikt waarvan je weet dat de invloed ervan op het totale weersysteem het sterkst en duurzaamst is, krijg je mogelijkerwijs ook informatie over het naderende seizoen. Voorbeelden van zulke invloedrijke factoren zijn de zon (die de aarde van zijn warmte voorziet), de zeeën (die met hun water rond 70 procent van de totale aardoppervlakte beslaan en zowel energie afstaan aan de atmosfeer als energie ervan opnemen), het zeeijs (in het Noordpoolgebied) en de winterse sneeuwbedekking van het vasteland. Veranderingen in elk van die factoren kunnen gevolgen hebben voor het weersysteem als geheel. Hoe beter je een dergelijk patroon begrijpt, hoe makkelijker het wellicht wordt om verder vooruit te kijken.


Seizoensverwachtingen hebben voornamelijk bij winters (een klein beetje) aantoonbaar succes. De reden hiervoor is dat vooral in het winterhalfjaar grootschalige stromingen dominant zijn in het weer, en dan in het bijzonder natuurlijk de straalstroom (de band met hoge windsnelheden op 10 kilometer hoogte in de atmosfeer die bepaalt waar hoge- en lagedrukgebieden terechtkomen). De zon staat ’s winters laag en heeft maandenlang relatief weinig invloed op het weer.

Zomer is lastiger
In de zomer is die situatie anders. Omdat de temperatuurverschillen tussen het Noordpoolgebied en de gebieden rond de evenaar veel kleiner zijn dan in de winter, is de straalstroom minder sterk en ligt ook duidelijk noordelijker. Tegelijk staat de zon hoog aan de hemel en is dan met zijn warmte wel een factor van belang. Nu is het niet alleen de straalstroom meer die bepaalt waar hoge- en lagedrukgebieden terechtkomen, maar doet ook de zon een duit in het zakje. Op die manier is te begrijpen waarom het systeem in de winter ‘stabieler’ (en daardoor wellicht iets beter te verwachten) is dan in de zomer, als het systeem zich grilliger gedraagt (en lastiger te verwachten is).


Welke factor doet wat?
Als we zon, water, ijs en sneeuw apart bekijken als factoren die van invloed kunnen zijn op het weersysteem, dat is het bij elk van deze factoren duidelijk dat hun invloed van jaar tot jaar varieert. Zo gaat de zon door maxima en minima in activiteit heen. In die cyclus zijn we nu het laatste maximum voorbij, wat betekent dat de zon de komende tijd langzaam minder actief wordt. Daarmee verandert ook de invloed ervan op het weersysteem. In samenhang met een eens in de tijd van richting veranderende luchtstroom, hoog boven de evenaar, kan op basis hiervan een uitspraak worden gedaan over de mogelijke kracht van de straalstroom gedurende de winter.


Het water van de zeeën varieert van jaar tot jaar in temperatuur en daarmee veranderen ook de hoeveelheden energie die erdoor aan de lucht worden afgegeven of ervan worden opgenomen, afhankelijk van het jaargetijde. Zeegebieden die op deze manier op het weer bij ons invloed kunnen uitoefenen, liggen verspreid over de aardbol. We letten onder meer op het al dan niet optreden van een El Niño in het zeegebied langs de evenaar tussen Peru en Indonesië. Verder spelen de verdelingen van de zeewatertemperaturen op het noordelijke deel van de Grote Oceaan (de PDO-index) en die op het noordelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan (de AMO-index) een rol.

IJs en sneeuw
De zeeijsbedekking van het Noordpoolgebied is door het jaar heen eveneens aan sterke schommelingen onderhevig, waarbij het voor de luchttemperaturen heel wat uitmaakt of die boven ijs of boven open water worden waargenomen. Een gebied van aandacht lijkt wat dit betreft de Barentszzee. Al langer wordt vermoed dat de ijsbedekking hiervan tijdens de herfst en de winter invloed heeft op de stromingspatronen zoals we die in de winter tegenkomen. En die stromingspatronen zijn weer belang voor het weerbeeld zoals we dat in de winter hebben.


En dan hebben we nog de sneeuw. Hier lijkt het tempo waarin Siberië gedurende de oktobermaand onder een sneeuwlaag komt te liggen direct samen te hangen met de kracht van de straalstroom in de winter die volgt. Gaat het dichtsneeuwen snel, dan komt het in de winters erop vaker tot geblokkeerde drukverdelingen, omdat de straalstroom niet goed op stoom komt. Gaat het dichtsneeuwen langzaam, dan volgt vaker een winter met sterkere westcirculaties, omdat er dan juist wel gemakkelijk snelheid in de straalstroom lijkt te komen. De index die voor dit alles een maat is, wordt de Snow Advance Index genoemd en deze wordt aan het einde van oktober bepaald.

Alle indicatoren op een hoop geeft de winterverwachting 2014/2015
Gooien we nu alles op een hoop en geef je een waarde aan de diverse parameters en indicatoren dan kun je een verwacht luchtdrukpatroon maken voor de winter 2014/2015. In november komen verwachtingen van de overheersende waarden voor de AO-index en NAO-index voor de winter uit, die aangeven waar de hoge- en lagedrukgebieden globaal gaan liggen. De AO-index wordt negatief als de luchtdruk boven de Noordpool in de winter hoog is (wat meehelpt bij het van positie laten veranderen van de straalstroom). Een lage luchtdruk levert een positieve index op (en een relatief sterke straalstroom). De NAO-index kijkt naar het verschil in luchtdruk tussen IJsland en de Azoren. Hoge druk in het noorden en lage druk in het zuiden leveren een negatieve NAO-index op (met grotere kansen op winterweer), de omgekeerde situatie resulteert in een positieve NAO-index en wijst vaak op een sterke straalstroom met zacht en wisselvallig winterweer bij ons.
Deze indexen en de te verwachten temperatuur in de stratosfeer maken het mogelijk toch een redelijk betrouwbare winterverwachting te maken.